In de voetsporen van wandeldominee Jacobus Craandijk

jcraandijkWandelingen door Nederland met pen en potlood is de titel
waaronder dominee, schrijver en wandelpionier Jacobus Craandijk
samen met tekenaar Pieter Schipperus in de tweede helft van de
negentiende eeuw een serie boeken over het ‘verdwijnend
Nederland’ maakte.

Reisjournalist Flip van Doorn liep een elftal van
de vele wandeltochten die zijn verre oudoom maakte na en stelde er
een gids van samen: Een’ kloeken dagmarsch. Het leek ons een
goed plan om al wandelend Jacobus Craandijk aan een ander licht
te onderwerpen.
Door Wim Huijser

Op een mooie wandeldag loop ik met Flip van Doorn het traject van de Posbank naar Dieren. Onderweg proberen we zoveel mogelijk in de voetsporen te treden die Jacobus Craandijk indertijd in de Veluwezoom heeft gezet. Craandijk was in de eerste plaats dominee, maar Van Doorn ziet hem vooral als ‘wandelpionier’.
Jarenlang maakte de ‘wandeldominee’ stevige tochten door het laat negentiende-eeuwse Nederland. De ijzeren eeuw had de samenleving met sprongen vooruit gebracht en het landschap veranderde rond 1880 in hetzelfde tempo mee. De zondagse vrijstellingen van zijn doopsgezinde gemeente in Rotterdam en later in Haarlem stelden Craandijk in staat er geregeld op uit te trekken. Met acht delen Wandelingen door Nederland met pen en potlood kwam tussen 1874 en 1888 een werk tot stand dat volgens de schrijver zelf ‘een monument’ was. De reeks werd tot ver in de twintigste eeuw herdrukt en is – mede dankzij de tekeningen van Schipperus – nog altijd populair bij verzamelaars. Volgens het toonaangevende tijdschrift De Gids mocht de serie in geen enkele boekenkast ontbreken.
‘De reeks voorzag duidelijk in een behoefte’, vertelt Flip van Doorn, die zelf een uitgebreide zoektocht naar eerste drukken van Craandijks werk heeft ondernomen. ‘De uitgevers Kruseman en Tjeenk Willink benaderden Craandijk om hem te laten schrijven over de bedreigde schoonheid van het veranderende Nederland. Het mocht een mooie, kostbare uitgave worden, waarop belangstellenden vooraf konden intekenen. Bovenaan de naamlijst prijkte de naam van Koning Willem III.’ Als illustrator van de reeks werd Pieter Schipperus gevraagd. Schipperus werkte zijn schetsen van dorp- en landschapsgezichten uit tot een serie prachtige lithografieën die zo mooi zijn dat veel eigenaren ze uit de boeken hebben gesneden om in te lijsten. Vanuit antiquarisch oogpunt niet minder dan een doodzonde.

jcraandijkboeken‘Nieuwe schoonheden’
We wandelen over de Rouwenberg en houden halt bij koepel ‘de Kaap’, waarvan zeker is dat ook Craandijk er pas op de plaats maakte om de vergezichten te bewonderen: ‘Duizendvoud gewijzigd zijn lijnen en tinten, en al is de hoofdzaak doorgaans weinig verschillend, telkens zijn ’t weer nieuwe schoonheden en verrassende gezichtspunten. Hier is ’t vooral het groote Bosch van Rhederoord, waarbij zich dat van Valkenberg aansluit, de toren van Rheden en de kronkelende IJsel, Arnhems toren boven ’t geboomte en de onafzienbare heide, wat het uitzicht op den Rouwenberg onderscheidt.’

Craandijk liep in zekere zin in de pas van vroegere predikanten als Andries Schoenmaker, Johannes Florentius Martinet, Ottho Heldring en F.D.J. Moorrees. Dat juist dominees zo driftig uit wandelen gingen en daarover schreven, is goed verklaarbaar. Toen in de loop van de negentiende eeuw de ontkerkelijking in de protestantse streken begon in te zetten, besloten kerkenraden om op zondag ook eens een ander geluid op de kansel te brengen. Daarvoor werden dominees uit de omgeving gevraagd in hun kerk te komen preken en werd de vaste predikant de gelegenheid geboden eropuit te trekken. In 1874 kreeg Craandijk in plaats van zes de beschikking over maar liefst achttien vrije zondagen en kon een lang gekoesterde wens van hem in vervulling gaan. De vrijheid werd vooral benut om Gods schepping met eigen ogen te aanschouwen, te bewonderen en vast te leggen. Craandijks drijfveer om zijn wandelingen te boek te stellen, kwam voort uit zijn constatering dat er met de aanleg van kanalen, spoorlijnen, havens en nieuwe wegen steeds meer moois verloren dreigde te gaan. Het leven veranderde volgens Craandijk snel; in enkele decennia meer dan in de drie eeuwen die daaraan vooraf gingen. Het reizen was vanzelfsprekend geworden en de afgelegen provincies werden meer dan ooit bereikbaar. Als keerzijde stelde de schrijver vast dat steeds vaker kastelen en hofsteden werden gesloopt ten behoeve van nieuwe villa’s. Craandijk verbaasde zich over de drang bij anderen om over de landsgrenzen te gaan. Zelf bleef hij liever in Nederland, waar nog zoveel onbekends was. Wat zocht de mens in het Zwitserse hooggebergte, zo vroeg hij zich af, als de Hollandse duinen in de nabijheid lagen?

Zwerven over paden en werven
Jacobus Craandijk werd op 7 september 1834 geboren als vijfde kind in een oude Amsterdamse familie. ‘s Winters woonde de familie op de Keizersgracht en in de zomer buiten de Zaagpoort, waar vader Craandijk als houtkoper en eigenaar van schepen handel dreef en een aantal zaagmolens had. Zo groeide de jonge Craandijk op als stedeling en buitenkind. Hij zwierf over paden en werven en langs de Amsterdamse buitensingels. Later bezocht hij in Den Haag het gymnasium en werd hij geroepen om doopsgezind predikant te worden. Craandijk stond bij zijn medestudenten hoog aangeschreven en nam zitting in verschillende besturen. Zo trok hij er met zijn kameraden op uit tijdens de jaarlijkse tochten van het Doopsgezind Studentengezelschap ‘Etebon’. Zelf was hij een van de oprichters van het wandelgezelschap ’Ahasverus’, waar de kiem van de toekomstige wandelaar/schrijver werd gelegd. In 1859 werd Craandijk als predikant beroepen in het Twentse dorp Borne, een kleine gemeenschap waarin hij met zijn geestverwanten een soort vriendenkring vormde. Daar trad de domineer in 1861 in het huwelijk met Anna Geertruida Ballot. Een jaar later werd hij naar Rotterdam beroepen. Als schrijver richtte hij zich in die tijd vooral op theologische en kerkelijke publicaties. Maar het was zijn wandeldrift die hem als auteur zijn roem zou opleveren. Zijn inspiratie kreeg Craandijk van de Franse schrijver Emile Montégut, die een paar jaar eerder door de Bourgogne wandelde en wiens verhaal in 1874 werd uitgegeven onder de titel Souvenirs de Bourgogne. Craandijk toonde zich er bijzonder enthousiast over. 

 

Wandelingen door Nederland met pen en potlood
In 1875 verscheen het eerste deel van Craandijks boekenserie en pas in 1888 zou het achtste en laatste deel verschijnen. Het zijn bij elkaar zestig wandelingen van meerdere dagen die Craandijk tussen 1874 en 1883 maakte en beschreef. Aanvankelijk verschenen ze in afleveringen bij de firma Kruseman en Tjeenk Willink (later Tjeenk Willink). Gebundeld vormden ze zeven delen van elk ruim 400 bladzijden, gedateerd van 1875 tot 1884. Het vijfde deel (1880) bevat een register op de delen 1 tot en met 5 en een namenlijst van intekenaren. Het zevende deel heeft een register op de delen 6 en 7; samen bevatten de registers bijna 6.000 trefwoorden. In 1884 verscheen ook de Atlas behoorende bij Wandelingen door Nederland met pen en potlood. Deze 22 in kleur gedrukte wandelkaartjes werden losbladig geleverd aan alle kopers van de eerste druk van Wandelingen door Nederland en bijgebonden in de volgende drukken.

Toen de serie voltooid leek, besloot Craandijk – hij was ondertussen als predikant beroepen in Haarlem – in 1886 en 1887 nog eens dertien wandelingen te maken. Deze nieuwe wandelingen legde hij vast in Nieuwe Wandelingen door Nederland met pen en potlood, dat daarmee deel 8 van de oorspronkelijke serie vormt. In 1892 werden de delen op kleiner formaat per provincie geordend en weer twee jaar later werd van de provincie Gelderland nog een vierde druk uitgebracht in twee delen, waaraan nog een in 1893 gemaakte wandeling naar Tongeren en Molecaten werd toegevoegd.
In 1968, bijna honderd jaar na de eerste uitgave, volgde een niet volledige herdruk, waaruit wandelaars graag kopietjes maakten om de route ermee te kunnen nalopen. Craandijk beschreef zijn Wandelingen als uitvoerige reisgidsen, maar zette de toon door de weelderige natuurbeschrijvingen met een kenmerkende negentiende-eeuwse galm.

PSchipperusPieter Schipperus
Hoewel de volledige titel van Wandelingen door Nederland met pen en potlood door J. Craandijk de indruk geeft dat het om een gezamenlijke voetreis van twee wandelvrienden ging, was dat in werkelijkheid lang niet altijd het geval. Veel wandelingen maakten ze los van elkaar. Craandijk ging ook regelmatig met anderen op pad. Vaak betrof het mensen die de streek of plaats goed kenden en waarmee de dominee al in contact stond. Onder hen verkeerden vooral veel notabelen: burgemeesters, archivarissen of collega-predikanten. Maar op de momenten dat Craandijk in de wij-vorm schreef, kon het ook gaan om Piet, zijn koetsier en huisknecht. Schipperus tekende niet overal waar Craandijk wandelde en hij ging vaak alleen op reis of maakte gebruik van ander bronnenmateriaal, waaronder enkele door Craandijk gemaakte schetsen. De twee kenden elkaar uit de Rotterdamse Kunstkring. Craandijk zag in Schipperus de aangewezen man om illustraties bij zijn wandelingen te maken, hoewel in die tijd ook de fotografie al in opkomst was. Meestal werden vier of vijf van Schipperus’ tekeningen op een pagina gecombineerd. 

 

Meanderende zinnen
‘De prikkelende wandelverslagen van Craandijk nodigden uit tot navolging’, vervolgt Flip van Doorn als we richting kasteel Middachten lopen. ‘Daarom werd op verzoek van veel lezers de tweede druk van de Wandelingen niet als salontafelboeken uitbracht, maar als handzame gidsen. Bijkomend voordeel was dat daarmee de tochtjes per regio konden worden gerangschikt en voorzien van praktische kaartjes.’ Van Doorn is zich in de afgelopen jaren steeds meer schatplichtig gaan beschouwen aan de man die Nederland tot wandelen bracht. ‘Wat Craandijk deed was nieuw. Wandelen was voor hem een doel op zich, het landschap wilde hij beleven. In die zin was hij de eerste moderne wandelaar.’ Dat er ook een verre familieverwantschap is, is meer dan een bijkomstigheid. Craandijk bleek een volle neef te zijn van Flips betovergrootmoeder. Toen hij van die verrassing bekomen was, werd hem duidelijk dat hij iets met zijn verre oudoom moest. ‘Ik was zijn naam wel meerdere malen tegengekomen in een artikel of boek over wandelen, maar nu kon ik hem als onderwerp niet meer loslaten.’ Van Doorn verdiepte zich in het oeuvre en werd meteen beloond met wat hij bloemrijke beschrijvingen van negentiende- eeuws Nederland noemt. ‘De meanderende zinnen van de wandeldominee zijn geschreven in het prachtige proza van dat tijdsgewricht.’


De rest van zijn leven zou Craandijk kerkelijke functies blijven bekleden, waaronder die van Hoofdbestuurder van het Nederlands Zendelingengenootschap. In 1912 namen zijn krachten af, maar hij behield zijn levenslust. De tijd van wandelen was echter voorgoed voorbij; het was de ouderdom die hem nekte. Zonder echt ziek te zijn geweest sliep de wandeldominee op 3 juni 1912 vredig in.

Met de wandelgids Een’ kloeken dagmarsch, waarvoor Flip van Doorn elf stevige tochten - aanvankelijk als zomerfeuilleton voor dagblad Trouw - samenstelde, trad hij voor het eerst letterlijk in Craandijks spoor. Inmiddels werkt hij ook aan een biografie. Daarin wil hij vooral de schrijver-wandelaar centraal stellen en zal hij niet al te uitgebreid ingaan op de theologische kant van Craandijks leven en werk.

dagmarschZandpaden en karrensporen
Met onze wandeling volgden we het spoor van een wandeling die Craandijk in 1882 maakte en die Van Doorn graag in een volgende wandelgids zou publiceren. Dat is niet eenvoudig, want Craandijk beschreef nooit precies welke route hij nam. Zijn tochten kunnen daarom alleen worden gevolgd aan de hand van de locaties en wegen die hij ter sprake bracht. ‘Voor Craandijk waren onverharde paden bijna een vanzelfsprekendheid’, stelt Van Doorn. ‘Dorpen op de Veluwe werden met elkaar verbonden door zandpaden en karrensporen. Tussen grotere plaatsen liepen grindwegen. De Arnhemsche Straatweg was niet breder dan vier meter en met klinkers bestraat. Af en toe ratelde er een kar of koets voorbij. Nu zijn die onverharde landwegen uit de negentiende eeuw in veel gevallen getransformeerd tot een asfaltweg waar auto’s de wandelaar met hoge snelheid passeren.’ In dat geval zoekt de reisjournalist liever een alternatieve wandelroute, die soms met een omweg naar een volgende locatie voert. Waar dat kan volgt hij Craandijk op de voet, maar waar nodig wijkt hij van het pad af. Volgens Craandijk, die meer ontspannen in zijn tijd zat dan veel van zijn tegenwoordige nalopers, was verkeerd lopen voor de wandelaar geen enkel probleem: ‘Wat schaadt het, of hij eens dwaalt! Wat deert het hem, of hij wat tijd verliest! Dat is geen verlies, dat is winst van genot!’

Twitter

Social media

twitterFacebook

Contact

Stip Media

Louise de Colignystraat 15 

1814 JA Alkmaar

+3172 531 49 78

info@boekenpost.nl